18-11-2019 Studiovisit by Alex de Vries

Alex de Vries has written a story of my life as an artist in the online art-magazine Mister Motley (in Dutch).  If you you like to improve your Dutch Alex' article is a great exercise, if not, I suggest to read  about my work in German or English language on this page

Alex de Vries  was co-founder and editor of Metropolis M., a  leading dutch magazine on contemporary art.  

 

 

More about Alex de Vries: He was founder and editor-in-chief of the quarterly magazine ‘De Kunsten’. From 1997 until 2001 he was director of the Academy of Art and Design in ’s‑Hertogenbosch. Then, in cooperation with graphic designer Jan Willem den Hartog, he started his own business as an author, curator and consultant in their office for communication in art and culture Stern / Den Hartog & De Vries. He has written and published many articles, catalogues and books on (Dutch) theater, art and artists and he has shown an interest in intercultural and interdisciplinary practices.

Go to the story in Mister Motley.  Of lees het hier: 

Het atelier van Margriet Smulders (1955) bevindt zich op de zolderverdieping van een oud meisjespensionaat in Nijmegen. Het wordt omringd door een tuin waar ze mensen graag rondleidt om ze te wijzen op de planten en bloemen die er groeien en te vertellen over de geschiedenis van het pand. Haar werkruimte heeft iets van een heiligdom. Onder een hemel van lappen stof staat een ‘altaar’; het is een waterreservoir dat ze gebruikt voor het fotograferen van haar grote bloemstilleven.

Sinds de zestiende eeuw zijn bloemstillevens in de Nederlandse kunst een genre dat gewaardeerd wordt door een groot publiek en tegelijkertijd met enig dedain wordt bekeken door mensen die weigeren het onderwerp serieus te nemen. Het bloemstilleven wordt veelal niet gezien als een geëngageerd onderwerp en wordt bedolven onder kwalificaties die in de kunstbeschouwing een negatieve betekenis hebben: versierend, illustratief, decoratief, esthetiserend, theatraal. Ook de wetenschappelijke, determinerende aspecten van de bloemstillevens die in botanische kringen een status hebben, worden in de kunstkritiek gezien als dienstbaar en te weinig als een belangwekkende uitdrukking van de vrije kunst. Het zijn lastig te bestrijden vooroordelen en het vergt van een kunstenaar nogal wat lef en zelfvertrouwen om het bloemstilleven centraal te stellen in het oeuvre. Margriet Smulders heeft het aangedurfd en heeft met haar fotografische stillevens het genre nieuw leven ingeblazen door ze op de maatschappij te betrekken en een scherp commentaar te laten leveren op wat zich in de wereld voordoet. Tegelijkertijd is haar werk uiterst persoonlijk, en handelt het over haar positie als vrouw in de kunst, over haar seksualiteit, haar moederschap, haar kracht en kwetsbaarheid.

Het zijn lastig te bestrijden vooroordelen en het vergt van een kunstenaar nogal wat lef en zelfvertrouwen om het bloemstilleven centraal te stellen in het oeuvre.

Margriet Smulders: “Ik was altijd al veel met bloemen bezig en had een serie gemaakt van telkens één bloem in één vaas, alsof het dames waren die een mooie jurk uitzoeken om op stap te gaan. Toen ik in 1999 de tentoonstelling ‘Het Nederlands stilleven 1550-1720’ in het Rijksmuseum had gezien, wilde ik een antwoord geven op de keurige, weelderige arrangementen. Ik wilde in mijn leven zelf toen ook alles omgooien. Ik wilde onderzoeken hoe ik met bloemen erotische foto’s kon maken als reactie op hoe ik had geleerd bloemen in een vaas te schikken. Al die bloemen laten natuurlijk ook de kracht van het verleiden zien die nodig is om nieuw leven te maken. Ik laat ermee zien hoe vruchtbaar mijn kunstenaarschap is, zowel in lichte als in donkere tijden. Voor het lichte, vrolijker werk bestaat meer belangstelling bij verzamelaars dan voor het donkere, maar ook dat moet ik maken om mezelf en wat er zich afspeelt in de wereld recht te doen.”

Tijdens haar studie Psychologie aan de Universiteit van Nijmegen besluit Margriet Smulders ook de avondopleiding vrije kunst aan de kunstacademie in Arnhem te gaan volgen. Ze voltooit beide studies (Psychologie in 1983 en de kunstacademie in 1985) en begint een professionele kunstenaarspraktijk. Ze studeert af met fotografisch werk en installaties van gebouwde kamertjes die als allegorische scènes functioneren. De foto’s uit die tijd zijn veelal zelfportretten in filmisch aandoende presentaties van alledaagse situaties: een vrouw aan tafel, een vrouw op bed, een vrouw in een hotelkamer, een vrouw met bloemen. Het terloopse karakter van de foto’s verhult de minutieuze opbouw van de sets waarin ze zelf te zien is. Pas in het laatste jaar van haar studie krijgt ze lessen fotografie van Wijnanda de Roo en in die discipline vindt ze haar manier van uitdrukken. Ze is na haar dubbele studie al dertig wanneer ze aan haar kunstenaarsloopbaan begint.
Ze krijgt met haar echtgenoot, de kunstenaar Frank Bezemer, een dochter en een zoon die inmiddels zelf ook in de kunst actief zijn, Lola (1988) als beeldend kunstenaar en Boris (1992) als componist.

In de eerste jaren na haar afstuderen maakt Margriet Smulders een serie foto’s in zorgvuldig geënsceneerde situaties waarvoor ze het gezinsleven als uitgangspunt neemt: “De foto ‘Maternité II’ uit 1988 als moeder met mijn pasgeboren kind is een poëtisch commentaar op zowel de verwachtingspatronen van een vrouw uit een Tilburgse textielfamilie als een reactie op de norm in kunstenaarskringen destijds dat je als vrouw geen kinderen moet krijgen, omdat je anders je carrière zou verprutsen.” 

In dat vroege zelfportret met kind laat Margriet Smulders zich kennen als een krachtig kunstenaar door aan te tonen dat het moederschap haar niet verhindert, maar juist motiveert om haar werk te maken. De foto’s uit de serie ‘Immaculada’ uit 1987 laten Margriet Smulders zien als een vruchtbare vrouw, niet alleen zwanger van haar kind maar ook van haar kunst. Dit werk wordt internationaal tentoongsteld, onder meer in de tentoonstelling ‘Who’s looking at the family?’ uit 1992 in het Barbican Art Centre in Londen.

In dat vroege zelfportret met kind laat Margriet Smulders zich kennen als een krachtig kunstenaar door aan te tonen dat het moederschap haar niet verhindert, maar juist motiveert om haar werk te maken.

Dergelijke gezinsfoto’s blijft ze tot 1995 maken. Ze worden zo gewaardeerd dat ze er ook opdrachten aan overhoudt, zoals 75 portretten uit 1997-1998 van mensen die werken aan de katholieke universiteit van Nijmegen. Deze foto’s onderscheiden zich van haar vrije werk doordat ze minder persoonlijk geladen zijn, maar doen er technisch en in symbolische en creatieve zin niet voor onder, zeker niet als ze bijvoorbeeld de koks van de mensa afbeeldt met vijf broden en twee vissen in een lijst van een kantineserveerschaal.  

Margriet Smulders groeide op in Bussum in een katholiek gezin dat toen ze vijftien was verhuisde naar Lage Mierde, twintig kilometer onder Tilburg. De familie Smulders maakte stoommachines en haar grootvader van moeders kant had de grote A&N Mutsaerts wollenstoffenfabriek. De belangstelling voor de kunst was er al bij haar grootmoeder die een kunstopleiding volgde en haar moeder die kunstgeschiedenis studeerde. Een doorsneegezin was het niet: “Mijn vader zat tijdens de oorlog in Kamp Amersfoort vanwege verzetsdaden. Hij vluchtte naar Zwitserland en was Engelandvaarder. De vrijheid werd gevierd met literatuur en kunst. Toen ik zeventien was, ging het hele gezin een schooljaar lang naar Kameroen. Daar ontwikkelde ik een nieuwe kijk op het leven die me jaren later goed van pas kwam bij het maken van portretten. Rond 1979 kregen de oorlogstrauma’s van mijn vader de overhand en werd hij gekweld door psychoses. Ook mijn zus leed daaraan en zij benam zich in 1995 van het leven.“ 

Het leven bespaarde haar ook daarna tragedies niet, zoals haar eigen openhartoperatie in 2005. Tegen de achtergrond van deze trauma’s beoefent Margriet Smulders het kunstenaarschap als een compensatie voor het lijden dat het leven soms is, door er iets tegenover te stellen dat minstens zo overweldigend is: de passie voor het leven.
Haar intentie als kunstenaar is ondubbelzinnig om de wereld mooier te maken. Je zou kunnen zeggen dat ze met haar werk tegen de keer van het noodlot ingaat en hoewel alles vergaat zij er alles aan doet om te laten zien hoe waardevol het leven is. Dit uitgedrukte verlangen naar schoonheid ten spijt zijn haar bloemstillevens ook een openbaring van het gedicht ‘Les Fleurs du Mal’ – de bloemen van het kwaad – uit de gelijknamige dichtbundel van Charles Baudelaire.

Je zou kunnen zeggen dat ze met haar werk tegen de keer van het noodlot ingaat en hoewel alles vergaat zij er alles aan doet om te laten zien hoe waardevol het leven is.

De eerste bloemstillevens die ze fotografeert zijn ‘portretten’ van een enkele bloem in een vaas. Zowel de bloemen als de vazen laten zien dat ze niet willekeurig gekozen zijn. Er is sprake van een symbiose. Na verloop van tijd worden de vazen speciaal voor haar gemaakt door glaskunstenaar Bernard Heesen. Met deze fragiele bloemen laat ze zien dat ze bloemen niet benadert als decoratieve elementen, maar als gedaantes in een specifieke vorm en kleur die zich tot hun omgeving verhouden als levende wezens. Het zijn in feite vrouwenportretten. Over het waarom van het fotograferen van bloemen zegt ze onder meer: “Tulpen vragen er gewoon om; ze willen gefotografeerd worden.” Dat uitgangspunt is geldig voor al haar werk. Wat er ook in haar leven of de wereld gebeurt, ze kan er met haar stillevens weerwerk aan gegeven. Vanaf het moment dat ze met haar foto’s van bloemen begint, zie je dat ze erop uit is iets karakter te geven. Als ze, daartoe verleid door de lessen Latijn die haar dochter op het gymnasium krijgt, eind jaren negentig haar series ‘Siren’ maakt, portretteert ze in bloemen mythologische vrouwen uit de Oudheid zoals Gaia, Philomela en Medusa, Hestia, Athena en Aphrodite. De foto’s zijn sensueel of expliciet seksueel, van subtiel tot vrijmoedig en ondubbelzinnig.

Vanaf het moment dat ze met haar foto’s van bloemen begint, zie je dat ze erop uit is iets karakter te geven.

Als ze rond 2003 series begint te maken onder de titel ‘Get Drunk’, een duidelijke verwijzing naar het gedicht ‘Enivrez-vous’ van Baudelaire - een oproep om je te bedrinken aan het leven – geeft ze blijk van haar liefde voor kunstenaars als Francisco Goya, Raoul Dufy, Pipilotti Rist en Henri Matisse, maar ook artiesten als Maria Callas. 

Dat haar werk zich niet beperkt tot het lieflijke van bloeiende bloemen blijkt uit de serie ‘Bloody Hell’ dat zowel helse situaties uitdrukt als een metaforische verzuchting is, een gefrustreerde vloek over wat je in het leven overkomt: dood, verderf, pijn, koorts, tranen, wanhoop. Het is juist met dit soort werk dat Margriet Smulders zich onderscheidt van het blik aan epigonen dat tijdens kunstbeurzen wordt opengetrokken als je wordt overspoeld door gefotografeerde bloemstillevens die zich beperken tot een vorm van lege esthetiek waar je snel op bent uitgekeken.

Door de techniek die ze gebruikt is het bij haar foto’s alsof je in een oneindige ruimte kijkt, zoals je al snel staat te zwalken op je benen als je in een barokkerk een beschilderde koepel bekijkt. Je verliest je blik in de centrale leegte. Haar bloemstillevens hebben een roterende, zuigende kracht alsof je wordt opgetild en in het oog van de orkaan wordt rondgetold om ergens anders gebutst te worden neergesmeten. Met het einde begint het pas, is de boodschap: als alles onder je is weggevallen, blijft er niets anders dan boven jezelf uit te stijgen. Dat aspect versterkt ze in de ruimtelijke presentaties van haar foto’s door muren te beschilderen. Voor de duo-expositie met Maria Roosen ‘Land of Milk and Money’ uit 2008  - in het toenmalige Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch – tekent ze samen met haar dochter Lola met Oostindische inkt uitvergrote droedels uit haar schetsboekjes op de wanden. Ook in de TZR Galerie Kai Brückner in Düsseldorf heeft ze de muren beschilderd en in Het Klooster in Tiel maakt ze in 2016 een installatie met draperieën. In de Ems-galerie in het Duitse Rheine installeert ze een permanent driedelig plafondwerk dat haar ruimtelijke bedoelingen in monumentale zin duidelijk maakt met ‘Quelle’ van 11 x 23 meter, ‘Strömung’ van 9 x 18 meter en ‘Mündung’ van 6 x 18 meter. Overigens is haar werk in Duitsland gezocht en wordt ze daar vertegenwoordigd door de fotogalerie Jordanow in München.

Door de techniek die ze gebruikt is het bij haar foto’s alsof je in een oneindige ruimte kijkt, zoals je al snel staat te zwalken op je benen als je in een barokkerk een beschilderde koepel bekijkt.

Inmiddels heeft ze zo’n dertig grotere en kleinere fotoseries gemaakt waarbij ze zich heeft gewaagd aan literatuur (Shakespeare), atmosferische omstandigheden, religie, levenslust, filosofie en andere fascinaties. Het project ‘Holy Disorders’ dat ze in 2019 in de Domkerk in Utrecht laat zien, toont een bijna onmachtig verzet tegen de verwachtingen die aan haar worden gesteld. Een ‘Holy Order’ is de roeping die een priester krijgt om tot bisschop te worden gewijd. Margriet Smulders stelt daar de ‘Disorder’ tegenover die je zou kunnen zien als haar roeping tot de kunst waarin je nooit de regels moet volgen die zijn voorgeschreven maar zelf nieuwe regels moet maken. Het zijn niet meer alleen bloemen die haar werk bevolken. Eerder heeft ze al een serie met vissen (2004) gemaakt, maar nu zijn er tussen de bloemen naakte vrouwenlichamen te zien. Ze gebruikt jonge dansers als modellen, maar als die niet beschikbaar zijn, schroomt ze niet om zelf in het werk te figureren. Met dat inzetten van haar naakte lichaam bevestigt ze het statement dat ze dertig jaar geleden maakte over de vrouwelijke kracht in de kunst: hier ben ik, ik mag gezien worden. Honi soit qui mal y pense – wee degene die er kwaad van denkt.